Voor de meeste van ons zoogdierliefhebbers is het denk ik inmiddels heel gewoon: zoogdieren zijn beschermd via de Wet natuurbescherming. Het is in mijn ogen een belangrijke verworvenheid dat we zo zorgvuldig met zoogdieren om willen gaan. Maar aan die verworvenheid zitten vreemde kanten, want niet alle zoogdiersoorten staan als beschermd te boek. En ook de zorgplicht in de Wet natuurbescherming is niet eenduidig. In dit verhaal weeg ik factoren die hierbij een rol spelen tegen elkaar af. 

Twee wetten 

Natuur, dus ook onze inheemse, wilde zoogdieren, wordt in Nederland beschermd via de Wet natuurbescherming. Deze wet kent twee voor zoogdieren relevante beschermingsregimes: Habitatrichtlijn en ‘andere soorten’. Onder het eerste regime vallen onder andere alle soorten vleermuizen en de bever, onder de ‘andere soorten’ vallen bijvoorbeeld de waterspitsmuis en de eikelmuis, maar ook de veldmuis. De mol, huismuis en bruine rat staan er niet bij. Naar ik aanneem zijn deze drie niet beschermd omdat ze algemeen voorkomen en regelmatig overlast veroorzaken.  

De verschillen in bescherming tussen die twee regimes zijn klein: alle betreffende soorten mogen niet opzettelijk gevangen of gedood worden. Ook mogen hun voortplantings- en rustplaatsen niet beschadigd of vernield worden. Daarnaast mogen de soorten die onder de Habitatrichtlijn vallen niet opzettelijk worden verstoord. Voor de soorten die onder het tweede regime vallen zijn de mogelijkheden een ontheffing van deze verboden te krijgen ruimer dan bij het eerste. 

Daarnaast hebben we ook de Wet dieren. Deze is vooral gericht op ‘gehouden dieren’, wat je zou kunnen samenvatten als vee en huisdieren. Maar deze wet zegt ook iets over de omgang met dieren in het algemeen, dus ook over wilde dieren. Deze wet gaat uit van de intrinsieke waarde van dieren en erkent dat het wezens met gevoel zijn. Onder intrinsiek versta ik ‘in zichzelf’, en dus niet, bijvoorbeeld, ten dienste van ons mensen. 

Inleven en/of beheren 

De redenen waarom we (zoog)dieren beschermen valt denk ik om te beginnen uiteen in twee duidelijk verschillende categorieën. De eerste reden is dat we ons kunnen inleven in een dier. Daarin ligt mijns inziens de reden dat we bij een dier geen pijn of letsel mogen veroorzaken en de gezondheid of het welzijn niet mogen benadelen (Wet dieren art. 2.1). Dieren waar we ons minder goed in kunnen verplaatsen komen er minder goed vanaf, wat mijns inziens de reden is dat we vissen met een haak mogen vangen en een worm aan die haak mogen doen om vissen te vangen. Ik denk dan ook dat we kunnen stellen dat het ons niet goed lukt invulling te geven aan die ‘intrinsieke waarde’. De tweede reden is dat we zorgvuldig met de natuur om willen gaan en de natuur met dat doel beheren. Die twee lijken elkaar misschien aan te vullen, maar het op een natuurlijke manier beheren van edelherten in de Oostvaardersplassen in 2020 leidde tot grote onrust omdat deze dieren er slecht verzorgd uitzagen. Dat het lijden van dieren, ook op grote schaal, in de natuur voorkomt kan er dus toe leiden dat die twee wetten op gespannen voet staan met elkaar. 

Zorgplicht 

De Wet natuurbescherming (art. 1.11) draagt iedereen op voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende (planten en) dieren en hun directe leefomgeving. Bij een ingreep waar een ontheffing Wet natuurbescherming voor nodig is en waarbij dieren verwond kunnen worden moeten vaak extra maatregelen genomen worden in het kader van die zorgplicht. In de Kennisdocumenten1 staan allerlei maatregelen die negatieve effecten op dieren kunnen voorkomen. Voor de noordse woelmuis is er zo’n document, en daarin staat dat het ongeschikt maken van leefgebied vaak noodzakelijk zal zijn als er grondverzet plaatsvindt. Daaronder wordt ook gerekend het wegvangen van dieren. Een kennisdocument voor de veldmuis bestaat niet, en bij mijn weten wordt bij ingrepen met grondverzet ook nooit voorgeschreven dat veldmuizen weggevangen moeten worden. Toch zijn zowel noordse woelmuis als veldmuis beschermd, lijken ze veel op elkaar en geldt voor deze soorten in grote lijnen dezelfde bescherming. 

Ook voor de soorten die niet beschermd zijn geldt de zorgplicht. Voor mol, huismuis en bruine rat zijn echter eenvoudig allerlei middelen aan te schaffen om ze te vangen en te doden, zoals gif en klemmen. Hoe moeten we dit zien in het kader van de zorgplicht? Nemen we voldoende zorg in acht voor deze dieren als we ze doden? De huismuis wordt regelmatig door de kerkuil gegeten en de mol door de buizerd en blauwe reiger, dus ze vormen een waardevol onderdeel van de ons omringende natuur. Die klemmen en gif in de bouwmarkt zijn dus ook uit te leggen als een overtreding van de zorgplicht tegenover die vogelsoorten. 

Verschillen tussen soorten 

Het gaat goed met de bever in Nederland. Deze soort behoort tot de Habitatrichtlijnsoorten, en is doelbewust terug gebracht naar ons land. Maar het succes van de herintroductie begint zich tegen de bever te keren, want er worden nu met enige regelmaat dieren geschoten. Bij natuurbeschermers wekt dit weerstand op. Mijn uitleg hiervan is dat we de bever zien als een waardevol onderdeel van de natuur om ons heen. Dan kunnen we bevers toch niet dood schieten? Haas en konijn staan allebei op de Rode lijst van de Nederlandse zoogdieren, maar behoren ook nog steeds tot de bejaagbare soorten: per jaar worden er meer dan 100.000 van afgeschoten2. Als we onderscheid maken tussen de bever enerzijds en haas en konijn anderzijds, op basis waarvan doen we dit dan? Als we ons inleven in die dieren maakt het denk ik niets uit welke er wordt doodgeschoten. Als we er vanuit beheer naar kijken is het logischer een bever dood te schieten dan een haas of konijn. Toch is er maatschappelijk duidelijk meer weerstand tegen het schieten van bevers dan tegen het schieten van konijnen of hazen. 

Onze relatie met dieren 

De Wet dieren gaat meen ik uit van een ethische benadering van dieren. Beschaafde mensen als we zijn (of zoals we onszelf zien) willen we zorgvuldig met andere, voelende wezens omgaan. Dat is voor mij herkenbaar als er een kat op mijn schoot gaat zitten; dat dier wil ik strelen en behagen, tot hij snort van genoegen. Ik ga een relatie met dat dier aan en dat geeft voldoening.  

Als ik een muis in een inloopval heb gevangen en dat dier uit de val haal is mijn relatie met dat dier heel anders dan met die kat. Die muis verkeert in doodsangst en wil zo snel mogelijk weg. Iedere aanraking maakt het dier alleen maar angstiger. Zelfs een vogel die gewond is en die ik hulp wil bieden reageert alleen maar angstig. Hoe respectvol ik ook met zulke dieren omga, ik kan niet zomaar een relatie met ze aangaan. 

Is het reëel om op een (op menselijke maatstaven gebaseerde) ethische manier naar wilde dieren te kijken? De verschillende manieren waarop we kijken naar het schieten van bevers of van hazen en konijnen zegt in mijn ogen meer over ons dan over die dieren. Naar ik meen kijken dierenbeschermers vaak rücksichtsloos naar het welzijn van dieren, ook als dat edelherten in een natuurgebied betreft. Er zijn zelfs dierenbeschermers die zich inzetten tegen het lijden van dieren in de natuur in het algemeen3. Maar ik kan me niet herinneren ooit protesten gezien te hebben tegen de verkoop van klemmen of gif voor mol, huismuis of bruine rat.  

Onze relatie met de natuur 

Uit onder andere het grote aantal leden van Natuurmonumenten en Natuurpunt, bij elkaar bijna een miljoen, blijkt wel dat er veel waardering is voor natuur. Als een steenmarter een auto beschadigt, een bever bomen omknaagt of vleermuizen onderdak kiezen in een spouwmuur, dan heeft dat vaak een negatief effect op die waardering. We beheren natuur, maar willen het vaak ook graag beheersen. We beschermen natuur, maar beschermen onszelf er ook tegen. De Wet natuurbescherming is gericht op het beschermen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde van die natuur. Maar wat is die intrinsieke waarde als we er niet met onze handen vanaf kunnen blijven? Het lijkt me niet overdreven te stellen dat onze kijk op natuur ambivalent en onze relatie met natuur ingewikkeld is.  

Handen af? 

Als je de natuur definieert als een systeem van organismen, abiotische omstandigheden en uit zichzelf functionerende processen4, dan is natuurbeheer een woord dat in tegenspraak is met zichzelf. Veel natuurbeheerders blijven dan ook het liefst zoveel mogelijk met hun handen van de natuur. Ikzelf kijk er ook op die manier naar, waarmee ik ons mensen in feite buiten de natuur plaats. Anders gezegd: door ons bewuste handelen en onze vergaande mogelijkheden invloed uit te oefenen op processen en soorten kunnen we de natuur nagenoeg grenzeloos beïnvloeden en overheersen, en zijn we er geen deel meer van. Natuur is alleen nog natuur als we er met onze handen vanaf blijven. Als het gaat om de zorg voor dieren geldt dat wat mij betreft ook: het is eigen aan natuur dat dieren regelmatig lijden, en als we daarbij ingrijpen is het in feite geen natuur meer. Daarmee propageer ik niet dat we dieren in de natuur moeten laten lijden, wel dat we in mijn ogen een belangrijke grens overgaan als we in zulke gevallen ingrijpen.  

Plaats een reactie